Historie

Kolonie 3 rijke historische erfenis van Willemsoord

Binnen de imposante rij van 32 kleine kernen en wijken die de gemeente Steenwijkerland rijk is na de “fusie” tussen Steenwijk, Brederwiede en IJsselham in 2005, neemt Willemsoord een zeer bijzondere plaats in. Immers de geschiedenis van de Maatschappij van Weldadigheid geeft het dorp een opvallend historische status. Een geschiedenis die niet heel ver teruggaat in onze jaartelling maar even boeiend als uniek genoemd mag worden, overgoten met een koninklijk sausje. Willemsoord dateert van 1820. In dat jaar werd in opdracht van de Maatschappij begonnen met de aanleg van wegen en de bouw van de eerste 100 huizen. Met daarnaast de grote gebouwen zoals de woning voor de onderdirecteur, de spinzaal met washok, een woning voor de adjunct-directeur fabriekswezen en de school met onderwijzerswoning. De benodigde grond was daarvoor gekocht van onder meer Het Heideveld Steenwijker­wold.

Generaal Johannes van den Bosch was de geestelijk vader van de plannen om in Frederiks­oord, Wilhelminaoord en Willemsoord drie vrije koloniën te stichten om kansarme gezinnen uit het Westen van ons land de gelegenheid te bieden een nieuw bestaan op te bouwen. De kolonisten kregen een woning met een hectare grond, er werd voorzien in hun onderhoud, er was geneeskundige hulp, alsmede godsdienst- en schoolonderwijs. Dankzij de contributie van een flink aantal redelijk gefortuneerde Nederlanders konden de leefomstandigheden van die lagere volksklassen aanzienlijk verbeterd worden. Het Huis van Oranje was zeer geïnteresseerd in de plannen. De kroonprins van Oranje, de latere Koning Willem II, gaf Willemsoord zijn naam. Willem betaalde de bouw van de school en onderwijzerswoning uit eigen zak: welgeteld 1.400 gulden voor de realisatie van beide gebouwen.

Het regiem van de Maatschappij was streng. De jeugd ging zes dagen per week naar school. Willemsoord telde een relatief groot aantal opleidingen naast de lagere school. Zo was er nabij het centrum een naai- en breischool alsmede een tekenschool. De jeugd kon ook opgeleid worden in verschillende takken van nijverheid. Zo was er een zakkenweverij, een touwbaan, een timmerwinkel en een verfwinkel, terwijl de bos- en landbouw de jeugd perspectief bood op de administratie van de Maatschappij terecht te komen. Maar Willemsoord kende ook een eigen landbouwvakschool die op de Ronde Blesse was gesitueerd: de Gerard Adriaan van Swieten Landbouwschool. De maatschappij bezat in de directe omgeving drie “goed gedreven” boerderijen (Hoeve Utrecht, Hoeve Amsterdam en Hoeve Generaal van den Bosch) waardoor er voldoende grond beschikbaar was voor het aanleggen van proefvel­den voor de studenten. Verder waren een veearts, stoomzuivelfabriek en een ontromingsfabriek binnen handbereik. De landbouwschool werd in 1890 gesticht en 1910 gesloopt, waarna de school tot woonhuis werd omgebouwd.

Het eerste kerkgebouw dat in de drie vrije koloniën werd gesticht was bestemd voor de joodse kolonisten. Die gezinnen werden in het noordoostelijke deel van de kolonie Willemsoord (op De Pol) gehuisvest en dat gebied kreeg in de volksmond de naam Jodenhoek. Er werd later (1837) ook een Israëlitisch bijschooltje gebouwd samen met een kleine synagoge. In 1860 woonden er nog 24 joodse gezinnen in de kolonie Willemsoord. De Nederlands Hervormde kerk aan de Steenwijkerweg in Willems­oord werd in januari 1855 ingewijd.

Wat maakte Willemsoord nu zo bijzonder, zo verschillend van de omgeving? Cecilia Kloosterhuis, noemt in haar boek “De bevolking van de Vrije Koloniën van de Maatschappij van Weldadigheid” onder meer de gangbare spreektaal die dicht bij het Algemeen Beschaafd Nederlands lag en “geïmporteerd” door de stedelingen uit het Westen. “Maar ook de omgangs­vormen in het dorp speelden een rol in het anders zijn. Kinderen werden van jongs af aan orde en regels gewend en strenger opgevoed dan elders”, aldus de vrouw naar wie in Willemsoord een straat werd vernoemd. Over de vormgeving van het dorp is ze wat negatief: “Het strakke van de aanleg, de ontzettende regelmaat in de verkaveling, de eentonigheid van de vrijwel gelijke koloniehuisjes op honderd meter afstand van elkaar langs de kaars­rechte wegen. Alles monotoon, zelfs de houtwallen. Geen verrassing, geen kronkel­weggetjes”. Was Willemsoord dan geen echt dorp? Juist wel, maar anders. De gebouwen en voorzieningen waren opvallend. Er was een kerk, school, postkantoor, een café, zelfs een spoorwegstationnetje. Er waren een paar winkels, een bakkerij, smederij, een klein zuivel­fabriekje, de molen, een mandenmakerij, zelfs een eigen dokter en vroedvrouw, eigen koloniegeld was in omloop. Maar ook een verenigingsgebouw gewijd aan onderwijs en ontspanning dat in de volksmond Ons Gebouw werd genoemd.

De herinneringen aan het bijzondere van het koloniedorp Willemsoord vervaagden echter steeds meer. Vanaf rond 1920 werden de bezittingen van de Maatschappij verkocht. Welgeteld 190 jaar na de komst van de allereerste bewoners is er nog een archief, zijn er een handvol (straat)namen, oude foto’s, tekeningen en een diaserie dat die historie levend houdt. Op kerkhof “Vredehof” spreken de namen op de grafstenen de taal van het verleden.

Na de tweede wereldoorlog, zo eind vijftiger, begin zestiger jaren, kreeg Willemsoord een ander gezicht. Tussen Paasloregel en de beek De Reune werd een nieuw woonwijkje gebouwd, later gevolgd door de nieuwe woningen in het zuidwesten van het dorp. Eind tachtiger jaren werd de A32 aangelegd. De basisschool moest uitbreiden omdat zij te klein werd om de aanwas van leerlingen te kunnen verwerken. Multifunctioneel centrum ’t Kolonie­huus’ kwam mede dankzij veel vrijwilligerswerk tot stand. Aan de andere kant verdwenen winkels echter als sneeuw voor de zon en werd de roep om leefbaarheid steeds sterker. Met als motto “Willemsoord wil geen slaapdorp worden” probeert Dorpsbelang richting te geven aan plannen en wensen verpakt in een doelgerichte toekomstvisie. Op korte termijn, maar ook voor de langere termijn. “Onderweg naar overmorgen”.

Naamgevers van de koloniën

De eerste kolonie die onder het gezag van Johannes van den Bosch tot stand kwam was Frederiksoord (1818). Vernoemd naar Prins Frederik, broer van koning Willem I en steun en toeverlaat van Van den Bosch. Wilhelminaoord (1919) kreeg de naam van prinses Wilhelmijntje, de weduwe van stadhouder Willem V, moeder van Koning Willem I en grootmoeder van Prins Frederik. Willemsoord (gesticht in 1820) werd vernoemd naar de Prins van Oranje, de latere Koning Willem II en broer van Frederik. Willemsoord (Kolonie 3) was qua oppervlakte net zo groot als Fredeiksoord (Kolonie 1) en Wilhelminaoord (Kolonie 2) samen. Pogingen om nog meer koloniën aan te leggen te (Van den Bosch wilde in dat kader ook een kanaal van Blokzijl via Steenwijk naar Groningen laten graven voor noodzakelijk vervoer) liepen op niets uit. Zo kwamen Frederika-oord en Louisa-oord niet verder dan een ontwerpplan.

Sommigen, vooral jongeren, wegens wangedrag uit de kolonie weggestuurde kolonisten vestigen zich vaak in de directe omgeving in haastig gebouwde plaggenhutten en vormden de zogenaamde desperado-kolonies. Zo zijn onder meer Nijensleek, Vledderveen en Marijenkampen ontstaan.

Landbouw op de schop

Niet alleen de totale onbekendheid van de kolonisten met het werken in de landbouw vormde een probleem voor Johannes van den Bosch en de zijnen, ook de armoedige ontgonnen heidevelden misten goede bemesting. Wat de gezinnen zelf aan mest produceerden werd gebruikt en later werd zelfs straatvuil aangevoerd als vorm van bemesting naast de mest die de koeien en varkens produceerden. Al enkele decennia na de dood van de Generaal ging de landbouw in de koloniën op de schop. Er werd een soort ruilverkaveling toegepast, gronden werden gemakkelijker bereikbaar en er werden in 1864 zes hoeven gebouwd. Die boerderijen kregen de naam van ’s Gravenhage, Marianne, Koning Willem III en in Willemsoord: hoeve Amsterdam, hoeve Utrecht en hoeve Generaal van den Bosch. Wie denkt dat het verbouwen en inkuilen van maïs iets van de laatste kwart eeuw is, heeft het mis. Al in de tijd van de Maatschappij van Weldadigheid werd maïs verbouwd en als zuurvoer ingekuild. Naast de maïs ging het daarbij ook om gras, spurrie, klaver en koolraapbladen.

Bij de drie boerderijen in Willemsoord werd brem als meststof verbouwd. Dat werd gezaaid onder de winterrogge, bleef een jaar overstaan en dan tot groene bemesting ondergeploegd. Vervolgens werd er haver op gezaaid en het jaar daarop boekweit zonder bemesting.

Maatschappij van Weldadigheid levenswerk van generaal, baron, graaf en minister

Johannes van den Bosch strijder tegen armoede

Een geestdriftig Nederlander, een man sprankelend van vernuft en fantasie. Dat was Johannes van den Bosch, de stichter van de Maatschappij van Weldadigheid. Uitvinder van het cultuurstelsel en vertrouweling van Koning Willem I en Prins Frederik. Hij begon zijn loopbaan als apothekersleerling en eindigde zijn leven als graaf en Minister van Staat. Zijn levenswerk in de Kop van Overijssel en Zuidwest Drenthe, in de loop der eeuwen beschreven door vele tientallen journalisten, geschiedschrijvers en analisten, was van eminent belang voor de ontwikkeling van het gebied. “Uitgestrekte heidevelden, onderbroken door schijnbaar achteloos neergesmeten bos. Een zich tot de horizon uitstrekkende woestenij. Nauwelijks een sterveling vertoonde zich in dat desolate grensgebied van Friesland, Drenthe en Overijssel twee eeuwen geleden. Nu een gebied met een indrukwekkende geschiedenis. Die van de kolonisatie”. Vloeiend neergeschreven en afkomstig uit de pen van een regionaal journalist die de verhalen van de vermetele generaal optekende. Johannes van den Bosch die de streek met straffe hand tot ontwikkeling bracht, tienduizenden verpauperde landgenoten de kans bood een menswaardig bestaan op te bouwen. Maar die ook moest erkennen dat zijn plannen niet altijd een succes werden. Meestal lag een chronisch geldgebrek eraan ten grondslag.

De levensloop van de in 1780 geboren Johannes van den Bosch is even opvallend als boeiend, zo constateerde M. Groote in zijn biografie over de generaal. Geboren als dokterszoon wilde hij geen medicijnen studeren maar koos voor een opleiding tot genie-officier. Toen hij vernam dat er op Java gebrek was aan officieren bood hij aan er op eigen kosten heen te gaan. In 1799 aangekomen klom hij snel op tot luitenant-kolonel. Hij kocht in de omgeving van Batavia enkele duizenden hectare moerasachtige grond, liet die draineren en legde er rijstvelden aan. Als werkkrachten gebruikte hij mensen “die voorheen gewoon waren hun tijd zeer slecht te besteden”. In 1810 vertrok hij naar Nederland na een conflict met de nieuwe gouverneur-generaal. Binnen enkele jaren was hij weer volop actief. In 1818 richtte hij de Maatschappij van Weldadigheid op, maar werd in 1827 door Koning Willeem I als generaal-gouverneur weer naar Indië gestuurd. Hier voerde hij het cultuurstelsel ion dat ons land rijke baten leverde maar de Javaan geheel afhankelijk maakte. In 1834 kwam Van den Bosch weer terug naar Nederland waar de Koning hem benoemde tot minster van Koloniën. In 1840 besloot hij af te treden door een conflict tussen Willem I en de Kamer. De koning verhief hem in de adelstand en benoemde hem tot Minister van Staat. In 1844 overleed hij plotseling, 64 jaar oud, op zijn buitenplaats ‘Boschlust’ in Den Haag.

Behoeftigen

Begin 1818 zond Van den Bosch een brief aan de Koning waarin hij meedeelde dat enkele van zijn onderdanen onder bescherming van ’s konings zoon Frederik het voornemen hadden een Maatschappij van Weldadigheid op te richten: “Om behoeftige ingezetenen in fabrieksmatige inrichtingen arbeid te verschaffen door vervaardiging van goederen die nu grotendeels uit het buitenland moesten worden ingevoerd. En ten tweede: door het ontginnen van ongecultiveerde gronden”. Uit concurrentieoverwegingen werd het eerste doel voorlopig geschrapt .en men zette kolonisatie van armen op woeste gronden voorop.

Op de heide wilde Van den Bosch een landbouwkolonie stichtingen, voorlopig van 100 gezinnen. Hij kocht in de regio Steenwijk 800 ‘morgen’ grond en berekende dat ieder gezin 3 morgen grond zou bewerken. De goed bemeste grond zou jaarlijks zeker 200 zakken aardappelen opleveren waarvan de helft kon worden verkocht. Een derde deel van de grond kwam voor bebossing in aanmerking en de rest moest door het gezin met handenarbeid bewerkt worden. De kosten ook voor de bouw van eenvoudige kolonistenwoningen werden betaald uit giften en contributies van gegoede Nederlanders waarbij Prins Frederik een belangrijke rol speelde als financieel gangmaker. In het jaar van 1818 waren de eerste 52 huisjes klaar van de kolonie die Frederiksoord werd genoemd. De eerste bewoners waren afkomstig uit 47 steden. De meeste mannen hadden nog nooit een schop vastgehouden en begeleiding was dan ook bittere noodzaak

Na Frederiksoord volgde Kolonie 3 (Willemsoord) in1820 met 100 huisjes. Om ook de realisatie van Wilhelminaoord te kunnen bekostigen sloot Van Bosch contracten af met stads- en armenbesturen voor het plaatsen van de nooddruftige bevolkingsgroep. Maar het was niet allemaal rozengeur en maneschijn. Onder de nieuw aangekomen kolonisten waren er die er weinig voor voelden stevig te moeten werken en steeds aan de leiband te lopen. Het ontbrak in het begin aan bekwame leiders, zo moest van den Bosch ervaren. Een deel van de mensen die naar de Maatschappij waren gestuurd, werden ondergebracht in de ‘strafkampen’ Veenhuizen en Ommerschans, waaronder wezen, dronkaards, bedelaars, zelfs krankzinnigen, mensen met schurft en degenen die niet wilden werken. De grote steden namen het niet zo nauw met het sturen van kandidaat-kolonisten.

Orde en tucht

Maar Van den Bosch gaf de moed niet op. Met orde en tucht werden de kolonisten heropgevoed. Naast de langbouw kwamen er fabrieken waar producten voor eigen behoefte konden worden gemaakt. De schoolplicht voor de kinderen werd ingevoerd, zondagse kerkgang was verplicht, een eigen gezondheidsdienst ingesteld, koloniegeld ingevoerd. Dat laatste met name om het kopen van alcohol aan banden te keggen. Toen de generaal uit Indië terugkeerde moest hij constateren dat de Maatschappij inmiddels met een schuld van 3,5 miljoen gulden was opgezadeld. Er werd een nieuwe koers uitgezet die zoden aan de dijk scheen te zetten. Zo was de oogst van aardappelen en graan in 1843 goed, de weverijen voorzagen geheel in de behoefte aan kleding en andere producten en het eigen volk had voldoende turf gegraven. Toen overleed in januari 1844 de bezielende leider plotseling en brak een reeks van magere jaren aan. Drie jaar lang mislukte de aardappeloogst, de in de katoenspinnerij geweven producten leverden uitsluitend verlies op. De ergernis van Johannes van den Bosch werd met moeite overeind gehouden.

Moeizame onderhandelingen met de regering leiden er toe dat Veenhuizen en Ommerschans tot Rijkswerkinrichtingen werden omgebouwd en het wezengesticht opgeheven, Vele kolonisten vonden na 1870 werk in de Twentse textielindustrie, een aantal kolonisten werd zelfstandig als vrijboer en mede door de Gerard Adriaan van Swietenschool werd meer aan bos- en tuinbouw gedaan. De landbouw werd hervormd en zes koloniehoeven gebouwd.

Terugblik

Wie de geschiedenis van de Maatschappij van Weldadigheid analyseert, treft de figuur van Graaf van den Bosch als een der weinige Nederlanders uit de eerste helft van de negentiende eeuw die aan kennis initiatief en aan ondernemingsdrang volharding paarde. Hij mag dan te optimistisch gedacht hebben de armoede te kunnen uitroeien, hij heeft er een originele en tot in het buitenland gewaardeerde poging toe ondernomen. Waar anderen de armen zagen als een plaag, meestal door luiheid veroorzaakt, wilde hij hen helpen door zijn landbouwkolonisatie. Zijn biograaf dr. Westendorp Boerman zegt in zijn dissertatie (1927): “Het evangelie van Van den Bosch was:goede materiele verzorging gepaard minutieuze voorschriften van bovenaf en een nauwlettende controle op de naleving”. Wel was hij vaak teleurgesteld en klaagde dan ”dat de zedelijke grond bij de verwaarloosden mensch moeilijker dan de dorste heide tot ontwikkeling is te brengen”. Maar hij bleef in de opvoeding van de kolonistenkinderen vertrouwen stellen. Daarom roemde ieder die de kolonies bezocht het onderwijs en de verzorging der kinderen. Hij kon streng zijn maar was geen hardvochtig man.”Een droppel troost te storten in het hart van den lijdenden is een genoegen dat niet dagelijks gesmaakt wordt”, schreef hij aan zijn vrouw.

Het was daarom geen wonder dat Johannes van den Bosch in de kolonie populair was en de kolonisten nog na zijn dood met liefde spraken over de generaal die het zo goed met hen meende”…